Wettelijke regelingen (3)


Paragraaf 6. Samenstelling en benoeming
Artikel 11
Het College bestaat uit zeven onafhankelijke leden, te weten:
a. een lid, tevens voorzitter; en
b. zes onafhankelijke leden.

Artikel 12
De voordracht tot benoeming van de voorzitter en de overige leden van het College geschiedt door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat.

Artikel 13
De voorzitter en de overige leden van het College worden benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming is terstond mogelijk en kan tweemaal en telkens voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

Artikel 14
1. De secretaris van het College wordt benoemd voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar op voordracht van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat. De secretaris is terstond weder benoembaar. Voor de secretaris kan tevens een plaatsvervanger worden benoemd.
2. De overige leden van het bureau van het College worden benoemd en ontslagen door Onze Minister.

Artikel 15
De voorzitter, de leden en de secretaris van het College kunnen te allen tijde op eigen verzoek worden ontslagen.

Artikel 16
1. De voorzitter, de leden en de secretaris van het College kunnen worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
2. Onder zwaarwegende gronden wordt mede verstaan het verkrijgen van een direct of indirect persoonlijk belang bij de exploitatie van kansspelen, alsmede het niet nakomen van de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht.
3. De voordracht tot ontslag ingevolge het eerste lid geschiedt door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat. Een daartoe strekkende voordracht geschiedt niet dan nadat de betrokkene en het College zijn gehoord.

Artikel 17
Indien Onze Minister voornemens is een voordracht te doen als bedoeld in artikel 16, derde lid, kan de voorzitter, een lid of de secretaris van het College bij koninklijk besluit worden geschorst, op voordracht van Onze Minister. Een schorsing vervalt door een tijdsverloop van dertien weken of door ontslag binnen dertien weken na de schorsing.


Paragraaf 7. Werkwijze
Artikel 18
1. Beslissingen kunnen slechts door het College worden genomen indien ten minste de helft van het aantal leden van het College aan de stemming heeft deelgenomen.
2. Beslissingen worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

Artikel 19
Van de door het College vastgestelde adviezen, voorstellen en aanbevelingen wordt mededeling gedaan door publikatie in het verslag, bedoeld in artikel 33, derde lid, van de wet. Artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20
1. Het College stelt, met toestemming van Onze Minister, een reglement van orde op, bevattende nadere regels ten aanzien van zijn werkwijze.
2. Het reglement van orde van het College bevat in ieder geval regels met betrekking tot het uit zijn midden aanwijzen van plaatsvervangende voorzitters, de openbaarheid van zijn vergaderingen en de wijze waarop door het College vastgestelde voorstellen en aanbevelingen worden bekendgemaakt.
3. Van het reglement van orde wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 21
1. Het College kan ten behoeve van zijn werkzaamheden commissies instellen.
2. De bevoegdheid tot het vaststellen van adviezen, voorstellen en aanbevelingen kan niet worden gedelegeerd of gemandateerd aan een commissie.

Artikel 22
1. Het College zendt jaarlijks v��r 1 september aan Onze Minister een bestedingsplan voor het daaropvolgende kalenderjaar met betrekking tot de aan de taakvervulling van het College verbonden uitgaven.
2. Onze Minister bekostigt de uitgaven van het College overeenkomstig het goedgekeurde bestedingsplan.
3. In afwijking van het eerste lid wordt het bestedingsplan voor het kalenderjaar 1996 opgesteld door Onze Minister.

Paragraaf 8. Overgangs- en slotbepalingen

OMHOOG