Reactie 22 december 2000

Eerste reactie van het College op het kabinetsstandpunt MDW-operatie Wet op de kansspelen
1. Het College is verheugd dat het kabinetsstandpunt een aantal zaken bevat waar het College al geruime tijd voor pleit, zoals het zoveel mogelijk harmoniseren van uitgangspunten en condities met betrekking tot de verschillende loterijen, alsmede het op een meer evenwichtige wijze verdelen van de loterijopbrengsten, waarbij ook nieuwe begunstigden een kans krijgen.

2. Het College constateert dat in het kabinetsstandpunt voor een meer behoedzame benadering is gekozen dan in de voorstellen van de MDW-werkgroep Wet op de kansspelen. Het doet het College deugd dat het kabinet heeft besloten tot handhaving van de verplichte afdracht aan de goede doelen. Daarmee volgt het kabinet het eerder door het College ingenomen standpunt.

3. Het College plaatst vraagtekens bij het voorstel om drie nieuwe vergunningen voor landelijke goede doelen loterijen te verlenen. Het lijkt een volkomen arbitraire keuze, waarbij elke aanduiding met betrekking tot een toewijzingsprocedure ontbreekt. Bovendien rijst de vraag of daaraan redelijkerwijs behoefte is en of deze nieuwe loterijen wel levensvatbaar zijn.

4. De kansspelen waaraan de meeste maatschappelijke risico’s zijn verbonden, het terrein van de speelautomaten, blijven geheel onbesproken. Ook overigens constateert het College dat de problematiek van de gokverslaving nogal onderbelicht is gebleven in het kabinetsstandpunt.

5. Een algemene constatering van het College is dat het kabinetsstandpunt veel onduidelijkheid laat bestaan over de uitwerking van de diverse beleidswijzigingen. Dit doet zich in het bijzonder voor bij de voorstellen met betrekking tot een nieuw toezichthoudend orgaan.

6. Het College is van opvatting dat het kabinetsstandpunt onvoldoende onderscheid maakt tussen het toezicht op de vergunninghouders en de opsporing en vervolging van illegale kansspelen. Illegaliteitsbestrijding is geen taak van een toezichthoudend bestuursorgaan, maar van politie en openbaar ministerie.

7. De huidige situatie, waarbij het College als toezichthouder alleen kan adviseren, is onbevredigend. Aan veel adviezen en rapportages van het College wordt eerst na jaren gevolg gegeven. Van de bij het College in de loop der jaren opgebouwde expertise wordt per saldo weinig gebruik gemaakt, terwijl de deskundigheid bij de departementen thans dun gezaaid is.

8. Het College kan zich vinden in de gedachte dat de uitvoering van de Wet op de kansspelen (vergunningverlening en toezicht op de naleving daarvan) op landelijk niveau in één hand wordt gebracht bij één bestuursorgaan, dat daartoe kwalitatief en kwantitatief voldoende toegerust moet zijn en slagvaardig kan optreden. Naar de opvatting van het College dient dit een onafhankelijke toezichthouder te zijn.

9. Uit het kabinetsstandpunt leidt het College af dat de nieuwe toezichthouder geen onafhankelijk bestuursorgaan zal zijn. Het College acht dit geen voor de hand liggende keuze. Gelet op het bijzondere karakter van het kansspelbestel, dat ondanks de MDW-operatie vooralsnog grotendeels gehandhaafd zal blijven, is een onafhankelijke en uitgewogen oordeelsvorming ten aanzien van de belanghebbenden op dit terrein noodzakelijk.

volgend bericht >>
omhoog