 |
Eerste
reactie van het College op het kabinetsstandpunt
MDW-operatie Wet op de kansspelen
1. Het College is verheugd dat het kabinetsstandpunt een
aantal zaken bevat waar het College al geruime tijd voor
pleit, zoals het zoveel mogelijk harmoniseren van
uitgangspunten en condities met betrekking tot de
verschillende loterijen, alsmede het op een meer
evenwichtige wijze verdelen van de loterijopbrengsten,
waarbij ook nieuwe begunstigden een kans krijgen.
2. Het College constateert dat in het kabinetsstandpunt
voor een meer behoedzame benadering is gekozen dan in de
voorstellen van de MDW-werkgroep Wet op de kansspelen.
Het doet het College deugd dat het kabinet heeft
besloten tot handhaving van de verplichte afdracht aan
de goede doelen. Daarmee volgt het kabinet het eerder
door het College ingenomen standpunt.
3. Het College plaatst vraagtekens bij het voorstel om
drie nieuwe vergunningen voor landelijke goede doelen
loterijen te verlenen. Het lijkt een volkomen arbitraire
keuze, waarbij elke aanduiding met betrekking tot een
toewijzingsprocedure ontbreekt. Bovendien rijst de vraag
of daaraan redelijkerwijs behoefte is en of deze nieuwe
loterijen wel levensvatbaar zijn.
4. De kansspelen waaraan de meeste maatschappelijke
risico’s zijn verbonden, het terrein van de
speelautomaten, blijven geheel onbesproken. Ook
overigens constateert het College dat de problematiek
van de gokverslaving nogal onderbelicht is gebleven in
het kabinetsstandpunt.
5. Een algemene constatering van het College is dat het
kabinetsstandpunt veel onduidelijkheid laat bestaan over
de uitwerking van de diverse beleidswijzigingen. Dit
doet zich in het bijzonder voor bij de voorstellen met
betrekking tot een nieuw toezichthoudend orgaan.
6. Het College is van opvatting dat het
kabinetsstandpunt onvoldoende onderscheid maakt tussen
het toezicht op de vergunninghouders en de opsporing en
vervolging van illegale kansspelen.
Illegaliteitsbestrijding is geen taak van een
toezichthoudend bestuursorgaan, maar van politie en
openbaar ministerie.
7. De huidige situatie, waarbij het College als
toezichthouder alleen kan adviseren, is onbevredigend.
Aan veel adviezen en rapportages van het College wordt
eerst na jaren gevolg gegeven. Van de bij het College in
de loop der jaren opgebouwde expertise wordt per saldo
weinig gebruik gemaakt, terwijl de deskundigheid bij de
departementen thans dun gezaaid is.
8. Het College kan zich vinden in de gedachte dat de
uitvoering van de Wet op de kansspelen
(vergunningverlening en toezicht op de naleving daarvan)
op landelijk niveau in één hand wordt gebracht bij
één bestuursorgaan, dat daartoe kwalitatief en
kwantitatief voldoende toegerust moet zijn en
slagvaardig kan optreden. Naar de opvatting van het
College dient dit een onafhankelijke toezichthouder te
zijn.
9. Uit het kabinetsstandpunt leidt het College af dat de
nieuwe toezichthouder geen onafhankelijk bestuursorgaan
zal zijn. Het College acht dit geen voor de hand
liggende keuze. Gelet op het bijzondere karakter van het
kansspelbestel, dat ondanks de MDW-operatie vooralsnog
grotendeels gehandhaafd zal blijven, is een
onafhankelijke en uitgewogen oordeelsvorming ten aanzien
van de belanghebbenden op dit terrein noodzakelijk.
|
|